Een initiatief van sloeproeienNL

Verkeersregels


Voor roeisloepen en roeiboten zal op enkele uitzonderingen na het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) gelden. Een sloep is niet verplicht een exemplaar van het BPR aan boord te hebben. Tegenwoordig zijn er gratis Apps voor Apple en Android met de volledige tekst van het BPR, echter de leesbaarheid hiervan is beperkt. 

 

Het volledige BPR is in te zien op wetten.overheid.nl , of te downloaden op onze pagina downloads

Ook op de site Varen doe je samen zijn ook de voorrangregels terug te vinden, klik hier >>

 

LET OP: tijdens roeiwedstrijden blijven de voorrangsregels van kracht! Als bijvoorbeeld een zeilschip een roeiwedstrijd op ruim water doorkruist dan heeft deze zeilboot voorrang op de roeisloepen!

 

De belangrijkste regel uit het BPR staat in artikel 1.04: Voorzorgsmaatregelen

De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:

a: het leven van personen in gevaar wordt gebracht;

b: schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;

c: de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.

 

De belangrijkste voorrangsregels:

 

  • Roeisloepen en -boten (vallen onder categorie kleine schepen tot 20 meter lengte) verlenen altijd voorrang aan grote schepen (langer dan 20 meter)
  • Roeisloepen en -boten verlenen voorrang aan zeilschepen (een zeilschip met ondersteuning van de motor is een motorschip). Let op, er zijn uitzonderingen, lees daarom artikel 6 van het BPR goed door!
  • Veerponten, passagiersschepen, sleep- en duwboten en vissersschepen die in bedrijf zijn, hebben altijd de rechten van ‘groot’. Ook als ze korter zijn dan 20 meter. 
  • Wie in de betonde vaargeul aan stuurboordzijde van het hoofdvaarwater vaart, heeft voorrang op schepen die de vaargeul willen opvaren, of oversteken. Een uitzondering hierop zijn schepen die uit een betond nevenvaarwater komen varen. In deze situatie moeten kleine schepen op het hoofdvaarwater voorrang verlenen aan grotere schepen die van het betond nevenvaarwater komen.
  • Bij kruisende koersen en in de situatie dat geen van de schepen aan stuurboordwal vaart heeft een zeilboot voorrang op een roeisloep of -boot. Een roeisloep of -boot heeft voorrang op een kleine motorboot.
  • Een roeisloep of -boot die vanuit een haven of nevenvaarwater een hoofdvaarwater opvaart dan wel oversteekt, of vice versa, moet altijd voorrang verlenen aan grotere schepen.
  • Een oplopende roeisloep of -boot moet altijd voorrang en ruimte geven aan de opgelopene roeisloep of -boot.
  • Een klein motorschip (tot 20 meter) moet voorrang verlenen aan een klein zeilend schip (tot 20 meter) of een roeisloep of -boot als hun koersen kruisen en geen van de schepen aan stuurboordwal vaart. Een groot motorschip of een groot zeilschip verleent in deze situatie voorrang aan het schip dat van stuurboord nadert.
  • Bij recht tegengestelde koers gaat een groot schip voor klein, heeft stuurboordwal voorrang, en heeft een zeilboot altijd voorrang op een roeisloep of -boot. 
  • Bij roeisloepen of -boten onderling op open water heeft de roeisloep of -boot die van stuurboord komt voorrang. 

 

Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water. Het BPR werd als wet vastgesteld op 26 oktober 1983 en vormt de opvolger van het vaarreglement (1965-1984). Het is laatstelijk op 1 juli 2010 grondig gewijzigd.

Het BPR geldt voor iedereen en voor elk vaartuig, zowel voor de beroepsvaart als voor de recreatievaart (inclusief roeisloepen en surfplanken). Op grond van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is het BPR geldig op de openbare wateren van het Rijk die voor scheepvaart openstaan, met uitzondering van:

  • Boven-Rijn, de Waal, het Panneerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek. Hier geldt het Rijnvaartpolitiereglement.
  • De Westerschelde en haar mondingen. Hier geldt het Scheepvaart Reglement Westerschelde.
  • Het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Hier geldt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen.
  • De Eemsmonding zoals vermeld in het Eems-Dollardverdrag en;
  • De wateren, die zeewaarts van de lijn vermeld in het tweede lid van artikel 2 van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement liggen. Deze lijn loopt min of meer langs de Nederlandse Noordzeekust en de Waddeneilanden. Hier gelden de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, ook wel Zee Aanvarings Reglement genaamd. De Waddenzee valt voor de wet onder het binnenwater, dus ook hier is het BPR van kracht.

Hierna volgen enkele voor roeisloepen en -boten relevante artikelen uit het BPR;

 

  • Een sloep is conform artikel 1.01 een 'klein schip'
  • Conform artikel 1.02 is de stuurman (hierna: schipper) verantwoordelijk voor de naleving van het BPR
  • Volgens artikel 1.04 moet de schipper, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in het BPR, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:
    • a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
    • b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;
    • c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.
  • Een varende sloep dient 's nachts (van zonsondergang tot zonsopkomst) volgens artikel 3.13-6 een wit rondomschijnend licht te voeren.
  • Algemene beginselen (artikel 6.03)
    • 6.03.1: Sloepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
    • 6.04.4: Wanneer een sloep voorrang moet verlenen aan een ander schip, moet het door tijdige koerswijziging of door snelheidsverandering aan dat andere schip de ruimte laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en te manoeuvreren.
  • Naderen op tegengestelde koersen op alle vaarwegen; hoofdregel (artikel 6.04)
    • Indien twee schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
    • Indien een groot schip en een klein schip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip.
    • Indien twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
  • Voorbijvaren op tegengestelde koersen in een engte (versmalling in het vaarwater) (artikel 6.07)
    • Indien het uitzicht niet vrij is, moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, één lange stoot geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen.
    • Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar stroom loopt een tegen stroom varend schip voorrang verlenen aan een voor stroom varend schip.
    • Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen stroom loopt een klein schip voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip.
    • Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen stroom loopt: een klein door spierkracht voortbewogen schip dat aan stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend ander klein door spierkracht voortbewogen schip.
  • Voorbijlopen; algemene bepalingen (artikel 6.09)
    • Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.
  • Voorbijlopen; gedrag der schepen (artikel 6.10)
    • In beginsel moet de oploper aan bakboord van de opgelopene voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag echter de oploper aan stuurboord van de opgelopene voorbijlopen.
  • Koers kruisen (artikel 6.17)
    • Indien de koersen van twee schepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
    • Indien de koersen van een groot schip en een klein schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip.
    • Indien de koersen van twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
    • Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.

(update 2 oktober 2021)